Avonturiers

Er was ons al gezegd dat Cambodja erg arm was. Daarom had ik al een stil vermoeden dat iets niet helemaal klopte toen we onder de neonlichten van centrum Siem Reap wandelen en in elke straat mooie restaurantjes en winkeltjes passeerden.

Met ‘mooi’ bedoel ik: niet met een berg afval voor de ingang, geen afhangende deuren, zonder blaffende honden, geen kinderen die er in hun naakie rondlopen en geen plastic tuinstoelen. Nee, het waren deftige zaken met soms zelfs linnen tafellakens en personeel in uniform. Iets waar westerlingen zich comfortabel voelen.

Voor ons éénjarig samenzijn aten we in Siem Reap haute cuisine met Cambodjaanse toets

Nieuwjaar was een knaller geweest en met de groep Nederlanders waarmee we in Siem Reap optrokken, vonden we elke avond wel een fijn plekje om een drankje te doen, zonder ons avonturier te voelen. Is dit dan Cambodja? Wellicht zijn de boeren veel armer dan stedelingen, dacht ik. Grote verdeling tussen stad en platteland, zoals vroeger. Vandaar de slechte cijfers.

Neus dicht

Battambang, onze volgende stad op de route, bewees echter dat mijn gedachten niet klopten. De tweede grootste stad van Cambodja bleek een armzalige bedoening te zijn. Ten eerste zagen we er veel minder toeristen dan in Siem Reap. Daarnaast waren er veel minder ‘normale’ restaurantjes. Een simpele supermarkt zoals wij die kennen, hebben we ook niet gevonden.

Ons eten moesten we bijeenscharrelen op de lokale markten. Dat doen we wel vaker, maar de markten op Battambang waren een uitdaging. Vooral de geur. We probeerden dus altijd snel maar wat te kopen om snel weer weg te kunnen.

Gelukkig vonden we hier en daar voedsel die we al kenden, zoals cakejes, fruit en rijstmaaltijden. Maar het was steeds zoeken tussen flappende vissen, vlees waarvan het dier van oorsprong niet duidelijk was, bakken met slijmerig voedsel zonder naam… En dat allemaal op slippers met een tropische hitte op onze nek.

De markt in Battambang

No money, no hunny

Mijn theorie van rijke steden, arme boeren klopte dus niet. Onze volgende stad, Phnom Phen, was de overtreffende trap van Battambang. Je kon er zelfs niet op het voetpad lopen want die stonden vol met wasrekken, voedselkraampjes, stoelen, afvalbergen, etc… De stank die in Battambang was beperkt tot de markten verspreidde in Phnom Phen uit over de hele stad.

Het beeld dat het meest indruk op me heeft gemaakt was de man die een fiets voor zich uitduwde te midden van een verkeersopstopping in een drukke straat. Hij was grijs, vuil en droeg maar één slipper. Zijn ene voet leek scheefgegroeid te zijn. Op zijn fiets lag een lading op zijn stuur en op de baggagedrager. Hij heeft niet één keer opgekeken.

Phnom Phen vanuit de oude gevangenis

Ook Phnom Phen was niet bepaald bezaaid met toeristen, ondanks de trekpleisters zoals het National Museum, het Genocide Museum in de oude gevangenis en de killing fields. Dát is het dus: er zijn geen toeristen. Geen toeristen, geen geld.

Siem Reap was een mierennest van toeristen die het nabijgelegen Angkor Wat wilden zien. De enige reden waarom de bewoners van Siem Reap het goed hebben, is omdat de stad toevallig naast een hoopje eeuwenoude tempels ligt.

Tuktuk? Water?

Terwijl we nog lekker konden afdingen en onderhandelen in Siem Reap, hadden we er steeds meer moeite mee naarmate we verder inlands reisden. Als we naar de prijs vroegen, was het antwoord meestal: ‘Hoeveel wil je betalen?’ en ‘It’s up to you’. Jij beslist, zeiden ze. We konden zoveel afdingen als we maar wilden, de tuktuk-chauffeur nam ons toch mee. Liever íets dan niets op zijn brood vanavond. Na de verhalen van Rich (lees ook: ‘Als zij niet waren vermood, was ik nu rijk’) en gesprekken met andere reizigers, voelden we ons zo slecht bij het afdingen dat we meestal méér gaven dan gevraagd.

Ondertussen las ik ook alle horrors in boek van Loung Ung over de Cambodjaanse genocide. Het werd me allemaal te veel en ergens tussen Battambang en Phnom Phen ging ik lichamelijk onderuit. De misselijkheid ging niet meer weg na het verlaten van de markt. Ik had last van mijn darmen, vermoedde een blaasontsteking en kokhalsde al bij de gedachte van noodles.

Iets dergelijks zie je (zonder overdrijven) op elke hoek van de straat in Phnom Phen

Wanneer tuktuk-chauffeurs en verkopers ons zagen verschijnen zag je de hoop in hun ogen. Tuktuk? Water? Ik kromp ineen van schaamte bij de wanhopige zucht en geforceerde glimlach die steeds volgde nadat we ons hoofd schudden. Ik kon het allemaal niet meer aan. In Phnom Phen is Max alleen naar de killing fields en de gevangenis gegaan. Ik had al genoeg miserie gezien en gelezen. Ik had het begrepen. Cambodja is arm.

Na Phnom Phen zijn we zonder ommetoer of tussenstop recht naar de kust gereden. We hebben de boot genomen naar een decadent exclusief eiland en drie dagen lang god in Frankrijk gespeeld.